Calais Syrië Abbey Road

Calais: De laatste horde naar Abbey Road

60 miljoen mensen zijn op de vlucht. Dat is meer dan 5 keer de totale Belgische bevolking. Vijf Vlaanderens, Walloniës en Brussels die op een paar maanden tijd de benen nemen. Van die 60 miljoen heeft één op zes de Syrische nationaliteit. Meer dan de helft van hen heeft Syrië (nog) niet verlaten en zocht in eigen land elders onderdak. Meer dan 4 miljoen Syrische mannen en vrouwen – een kwart daarvan is kind – vonden primitief onderdak in de buurlanden

Zo bevinden er zich 1.9 miljoen vluchtelingen in Turkije, 1.2 miljoen vluchtelingen in het kleine landje Libanon, 600.000 in Jordanië, 250.000 in Irak en 125.000 in Egypte. Een kleine minderheid liet de overvolle vluchtelingenkampen achter zich en trekt richting Europa…

Fort Europa: Hindernissenparcours²

…een tocht van Kobani naar Berlijn, Brussel of Dover van meer dan 3500 kilometer door minstens 8 landen met obstakels zoals de Middellandse Zee, te temmen met gammele bootjes; een erehaag van Hongaarse en Servische politie met pepperspray en pogroms van Hongaarse en Griekse neo-nazis, gewapend met stokken en stenen. Stap niet op de verkeerde trein want u passeert niet langs start, ontvangt geen geld en gaat naar het vluchtelingenkamp. Voor de doorwinterde vluchteling is er nog het kanaal naar Groot-Brittannië: Een levensecht spelletje frogger onder het goedkeurend toezicht van Britse en Franse toeristen in Calais.

En nu en dan gaat het mis.

Opgeblazen kinderlijkjes. Aangespoeld op het strand, in de armen van een Turkse agent. Weinig foto’s wisten de publieke opinie zo te beroeren als de prent van het levensloze lichaam van Aylan Kurdi, die tijdens een mislukte poging om Europa te bereiken samen met zijn broer Ghalib en zijn moeder Rehan  niet ver van de Turkse badstad Bodrum aanspoelden. Deze kleine ‘Kim Phuc‘ slaagde erin Europa een spiegel voor te houden: Onverschilligheid is niet langer een optie. Iedereen in West-Europa heeft ondertussen een eigen mening over het onderwerp.

De meningen en opinies waar traditionele en sociale media ons mee om de oren slaan zijn grofweg op te delen in vijf categorieën:

  • “Nog meer moslims?” Archetype: Pegida Vlaanderen.
  • “Wie gaat dat betalen?” Archetype: De doorsnee HLN-commentator.
  • “Hoera! Goedkope werkkrachten.” Archetype: Fernand Huts.
  • “Ik vind het erg maar ik ga niks doen want dat lost niks op.” Archetype: Francine Mestrum
  • “Meer kan ik momenteel niet doen, maar hier is alvast een tent en een boterham.” Archetype: “Wij gaan naar Calais en nemen mee…

Mensen in de eerste twee categorieën rechtvaardigen hun standpunt door erop te wijzen dat Europa geen schuld heeft aan de oorlog aan haar grenzen en de wijzen de mensenhandelaars met de vinger. Als zij asiel willen moeten zij naar de buurlanden. Als zij naar Europa komen zijn het economische vluchtelingen die van hun sociale zekerheid wil komen profiteren.

Een man van middelbare leeftijd, gesterkt door de recentste mening van de voorzitter van Vlaanderens grootste partij, wist de volgende mening te delen op zijn Facebook-profiel: “Stuurt die jonge asielzoekers terug naar hun land om het te verdedigen en voor hun vrijheid te vechten. Maar zij zijn te laf en verkiezen hier te luieren en te genieten van onze solidariteit door ons een schuldgevoel te geven.” Wie het conflict een beetje kent begrijpt dat men niet simpelweg kan vechten voor zijn of haar vrijheid. Het is niet vóór of tégen IS. In het Syrische conflict spelen regionale, zoniet globale, belangen en het aantal elkaar bestrijdende groepen is niet meer op 1 hand te tellen. Voor wie, met wie, tegen wie en voor wat moet men vechten?

De meest harteloze mening – ideologische hutsepot, gedrenkt in een economisch-filosofisch sausje – vond ik bij conservatief opiniemaker Stefan Molyneux: “Empathie is niet verenigbaar met de welvaartstaat.” Wie asielzoekers wil helpen moet dat maar in zijn eigen huis doen en er niemand mee lastig vallen. Gezien de schaal van de Europese economie zou de instroom van een paar 100.000 gezinnen mijns insziens de welvaartstaat niet mogen ontwrichten.

De derde categorie vinden we in de hoogste sferen van de industriële bedrijfswereld en politici die zich eerder rechts op het politieke spectrum bevinden. Fernand Huts wist de problematiek voor de kar te spannen op een manier zoals alleen hij dat kan. Hij beloofde 500 vluchtelingen in dienst te nemen als de overheid de Wet-Major zou aanpakken; een regeling die het statuut van havenarbeiders regelt. Open VLD-voorzitter Gwendolyn Rutten wou politiek gewin slaan uit de vluchtelingencrisis door haar politieke droom van gemeenschapsdienst als oplossing op te werpen. Naar eigen zeggen vragen ook veel vluchtelingen daar naar.

De vierde categorie voelt zich machteloos en streeft naar structurele oplossingen: Maatregelen op macroniveau die caritatieve initiatieven overbodig moeten maken. Armoedebestrijding is niet iets dat vanuit het hart gebeurt, het is automatisch, ingericht door de maatschappij en niemand kan of mag door de mazen van het net vallen. Het is een discussie die reeds gevoerd werd bij de opkomst (en intussen overgewaaide rage) van de ‘uitgestelde koffie’. Bert D’hondt van Welzijszorg VZW brak toen een lans voor wat hij de koude solidariteit noemde: structurele maatregelen zijn veel efficiënter dan persoonlijke initiatieven.

Dit is een positie die ik volledig steun. Zij het niet dat de nood zodanig hoog is dat zelf de meest welwillende overheid dit conflict niet de baas kan: vanwege het plotse karakter, de omvang en de versplintering van de problematiek. Spontane geef-initiatieven en koude solidariteit kunnen hier perfect hand in hand gaan.

Daarom koos ik ervoor mezelf te plaatsen in de vijfde categorie. 100.000-den mensen zijn op weg naar God weet waar. Of ze nu vluchten voor het geweld of simpelweg een beter leven zoeken, het is een discussie waar ik verder geen woorden aan wil verspillen. Het is aan de Europese leiders om een structurele oplossing te voorzien, maar ik wil persoonlijk ervoor zorgen dat sommigen van hen op hun tocht niet op de grond hoeven te liggen, een tentzeil boven hun hoofd hebben en niet met een lege maag in hun slaapzak kruipen.

Daarenboven denk ik dat structurele maatregelen, veelal opgebouwd en ondersteund door belastingsgeld, zodanig onder druk staan omdat heel wat mensen willen dat hun belastingsgeld voor andere zaken gebruikt wordt. Voor vluchtelingen, armen, geïnterneerden bestaan gespecialiseerde organisaties die zich elke dag inspannen om het lot van deze mensen te verbeteren. Ze zitten weggestoken in door-overheidsgeld-betaalde gebouwen en zijn een ver-van-ons-bed-show geworden waardoor we ons nog afvragen of het eigenlijk nog nodig is dat we daar tijd en geld aan “verspillen”. Die koude solidariteit zou heel wat meer steun krijgen moesten de mensen die ze mogelijk maken, de belastingsbetalers, nu en dan opnieuw in contact zouden komen met de begunstigden ervan.

Het initiatief Wij gaan naar Calais en nemen mee… was dan ook voor velen een uitgelezen kans om in contact te komen met deze dappere mensen, straffe verhalen te aanhoren en bovenal hun hart te laten zien. Ook ik was erbij en dit was mijn dag…

Calais Syriers vuurtoren

Georganiseerde chaos

Deelnemen aan een spontane actie met beperkte steun van organisaties, zonder afgelijnde hiërarchie, dat is altijd een beetje het hart vasthouden of iedereen opdaagt, of alles vlot verloopt en of de beloofde infratructuur aanwezig is. De media hadden reeds bericht over een chaotische vrijdag, en toen de rendez-vous op het laatste moment wijzigde verwachtte ik dat het zaterdag niet anders zou zijn.

De geleende camionette zat redelijk vol met prularia die ikzelf inzamelde en de spullen die ik van Lut kreeg, een andere vrijwilliger die me via Facebook contacteerde met de vraag of ik haar spullen kon meepakken. Op onze ruit hing een geïmproviseerd tentlogootje die de deelnemers kenbaar maakt op de Belgische en Franse wegen richting Calais. Hoewel de plaats van afspraak verplaatst was van het tankstation Mannekensveer in Oostende naar de parking van tweedehandswinkel Emmaüs in Les Attaques wemelde het van de deelnemers aan het tankstation. Na onze driehoeksboterham besloten we de karavaan achter ons te laten en sprongen we in de auto richting Calais.

Op de parking van Emmaüs werden we verwelkomd door Peter, de bezieler van de actie. Er waren reeds enkele mensen in de weer om pakketjes samen te stellen voor een groep Syriërs die zich in het centrum van Calais bevonden. Dat groepje wilde niet naar de jungle, waar duizenden Soedanezen, Eritreërs en Noord-Afrikanen overdag slapen, wachten en eten, en ’s nachts hun innerlijke Michael Scofield loslaten om via ferry of kanaaltunnel het Verenigd Koninkrijk te bereiken. Er werd ons gevraagd om onze camionette te legen en mee te gaan met Nadine en Bart naar het Syrische kamp.

Op weg naar het centrum van Calais hadden we een kortstondig overzicht over de jungle, het gigantische vluchtelingenkamp in de duinen: een klein havenstadje bestaande uit tenten en geïmproviseerde schooltjes, kerken, moskeëen en winkeltjes. Wij reden echter door naar het centrum van Calais. Daar vonden we de groep Syriërs in twaalf tentjes onder het afdak van een laadkade van een fabriek. De anderen zaten in het parkje er rechtover. Allemaal wilden ze naar het Verenigd Koninkrijk. Een familielid en een leven zonder paspoort wachtten op hen. In welke mate ze hun tea & breakfast-leven idealiseerden laat ik in het midden.

Nadine en Bart hebben lang in Libanon gewoond en weten hoe dit werkt. Ze legden uit dat we best even gedag  zeggen alvorens we beginnen uitdelen. Ze wou het gestructureerd laten verlopen. Omdat ze Arabisch sprak zag ik dit wel goed komen. Eerst kwamen de schoenen, dan de jassen, truien en broeken. Alles verliep rustig. Nu en dan werd er geduwd en getrokken. Dat is normaal. Hoe leger de koffers werden, hoe meer iedereen hoopte nog een laatste warme trui te versieren. Nu en dan ontstond spontaan gelach als iemand een jas van het type ‘extravagante pooier’ aantrok. Alles wat niet paste werd trouwens teruggebracht en in zakken gestoken.

Tijdens het uitdelen werd ik op de schouder getikt. In een Brits accent hoorde ik: “Do you happen to have another rain coat?” Ik verschoot want tot op heden had ik niet kunnen communiceren met deze mensen. Nazim sliep in een hotel hier niet zo ver van. Hij was dokter en werkte in een nabij verleden voor de WHO en Artsen Zonder Grenzen in Syrië. Hij was één van de gelukkigen die nog voldoende geld had om ’s nachts op hotel te slapen in Calais. Toen ik vroeg waarom hij gevlucht was kreeg ik een antwoord dat ik niet verwachtte.

“Ik woonde in Damascus. In tegenstelling tot de beelden die je in Europa ziet uit Kobani en Aleppo gaat het leven daar eigenlijk gewoon verder. Af en toe ontploft er iets of wordt er iemand op straat geëxecuteerd, maar dat is het enige. Gebouwen staan recht en de lonen worden uitbetaald. Maar de druk om voor een kant te kiezen is enorm groot. Als ik een kant kies, ben ik ten dode op geschreven, gelijk welke kant dat is. Ik ben dokter en ik wil neutraal blijven. Het werd me echter onmogelijk gemaakt.” Ook hij maakte de tocht door Turkije, Griekenland, Macedonië, Servië, Hongarije, Oostenrijk, Duitsland en Frankrijk. Op tien dagen had hij heel Europa doorkruist. Hij hoopte in Engeland aan examens mee te doen waardoor zijn diploma ook daar wordt aanvaard.

Syriërs in Calais

Een spontane rij ontstond voor de lunchpakketten die een Gents-Turkse man in elkaar had gestoken. Hij had de dag ervoor de actie op TV gezien en wou spontaan helpen. Hij was naar de Lidl gereden, smeerde enkele honderden sandwichen met choco, stopte ze samen met enkele brikjes en een WC-rolletje in een zakje en is met vrouw en dochter richting Calais gereden. Geen idee waar naartoe, tot hij een wagen het tentlogootje tegenkwam. “Ik kan met mijn vrouw en kinderen niet genieten van mijn eten als ik weet wat die mensen hier meemaken. Dit is het minste dat ik kon doen.” De tranen stonden in zijn ogen.

Ook Sadik had een lunchpakket bemachtigd. Hij was nog maar net toegekomen, had nog geen slaapplaats en kwam niet zo goed overeen met de andere Syriërs. Zijn huidskleur was ook veel bleker dan de anderen. De anderen spotten met hem en noemden hem de ‘Bulgaar’. Hij had net als mij economie gestudeerd en hoopte in Engeland zijn master af te werken. Hij had Europa doorkruist op 7 dagen. Net als Nazim had hij ongeveer 1000 euro gespendeerd aan zijn tocht tot in Calais. En dat terwijl Ryanair voor nog geen 50 euro van Griekenland naar Parijs vliegt. Nu was zijn geld op.

Omdat er nog enkele slaapzakken, schoenen en dekens nodig waren, besloten we naar de verzamelplaats te rijden om nog wat spullen op te pikken. Er was echter niet voldoende. Met een magere buit reden we terug naar het kleine kamp aan de Rue Margolle. Toen we opnieuw aankwamen waren er reeds 30 nieuwe jongens toegekomen. Met hun smartphone, battery pack en boxkes lagen ze op het gras, hielden ze contact met familie en wisselden ze nummers uit. Ze kwamen uit het Noorden van Syrië en het boterde niet echt met de jongens uit Al-Harah en Nawa uit het Zuiden. Zij hadden deze plek gevonden en de politie had hen aangemaand dat hun kamp niet groter mocht worden dan 12 tenten.

Ook Mohammed was net toegekomen. Hij had slechts een dun hemdje aan dus boden we hem een jas aan die niemand anders moest hebben. Hij kwam uit Aleppo, studeerde architectuur en had een broer die in Glasgow studeert. Dat was zijn bestemming. Ik vroeg hem of hij schrik had om aan boord van de ferry te gaan. Hij vertelde me dat hij na zijn boottocht naar Kos van niks meer bang hoeft te zijn. Een bootje van 7 meter, overladen met mannen, vrouwen en krijsende kinderen. De motor lekte brandstof. De benzine trok in zijn broek en schoenen. Het was een bom op het water: “If someone would have lighted a cigarette, we’d all be dead.”

Wij gaan naar Calais en nemen mee

Nu deze jongens er nog bij waren gekomen hadden we zeker niet genoeg spullen. Uitdelen is leuk zolang er voldoende is. De structuur was weg en het was ieder voor zichzelf nu. Meer dan de spullen afgeven en hopen dat iedereen ‘iets’ krijgt konden we niet doen. Op bevel van Nadine namen we de voedselpakketten terug mee: “Otherwise this will be carnage.” Afscheid nemen van mensen die hopen dat je snel terugkomt met meer warme dekens en voedsel is om je ogen van uit te wenen. Dit zo rationeel mogelijk benaderen is het enige wat je kan doen; van je hart een steen maken.

Gelukkig kregen we op de verzamelplek te horen dat er nog een laatste groep auto’s richting het Syrische kamp ging. Het werd laat en koud en wij besloten huiswaarts te keren. Dit was één van de vermoeiendste dagen uit mijn leven. Mijn reisgenoten konden dat beamen toen één van hen bij het oversteken van de Frans-Belgische grens na een stevig dutje terug wakker werd.

In Mannekensveer praatten we na met andere deelnemers van de actie. De artikels die we op onze smartphones lazen werden bevestigd maar ook sterk gerelativeerd. Er was inderdaad een wagen geplunderd en het verliep allemaal heel chaotisch. Wie dacht dat honderd vrijwilligers de 4000 mensen een hele dag in de rij zou kunnen doen staan maakte zichzelf iets wijs. Dit is de jungle: er is voedselschaarste, waterschaarste, een tekort aan hygiëne en de meesten hebben hun Europese idealen moeten inruilen voor een tent of zeil en het zand van de jungle in hun schoenen. Als ze die al hadden. Want wie het kat-en-muisspel met de politie verliest moet zijn schoenen afgeven. Zonder schoenen geraak je namelijk niet over de verschillende lagen prikkeldraad.

Sorry, not sorry

Wat je mening ook moge zijn over de huidige vluchtelingencrisis, ik raad iedereen aan om deel te nemen aan één van de acties die nog georganiseerd zullen worden. Het kan misschien voyeuristich aanvoelen, maar dat vervaagt eenmaal je oog in oog komt te staan met deze dappere mensen.

Spontane initiatieven zijn in veel gevallen geen lang leven beschoren. Ik hoop dat Peter Terryn de tijd, middelen en moed vindt om zich hiervoor te blijven inzetten en dat zijn oproep gehoor vindt. Voorts hoop ik dat ook grote hulporganisaties, die zich dag in, dag uit inzetten voor het lot van vluchtelingen in Europa ook hun weg vinden naar Calais en dat de handen in elkaar geslaan worden. Ik keer alvast binnen enkele weken terug.

Als ik mijn dag zou samenvatten in een instagramfoto zou het een beeld zijn van de rij Syriërs die aanschuiven voor hun lunchpakket: “Dit is het minste dat ik kon doen. #sorrynotsorry”.

Extra dank aan Ian, Jan, Lut, Bart en Nadine.

 

Reacties

Reacties

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Verplichte velden zijn gemarkeerd met *